In de standaard van 15 juli 1998 stond een opmerkelijke brief: een visie van de gouverneur van Vlaams-Brabant, Lodewijk De Witte, op de nieuwe plannen omtrent ruimtelijke ordening. Uit onverdachte hoek , een iillustratie bij ons artikel over bouwen, verbouwen en afbreken.

 Naar een trendbreuk in Ruimtelijke Ordening ?

   De jongste jaren spraken de Vlaamse ministers van Ruimtelijke Ordening steeds ‘vaker luidop over een trendbreuk. Het beleid zou worden omgebogen, de verdere versnippering van de open ruimte zou aan banden worden gelegd, de leegloop van de steden zou worden gestopt. Het bleef niet bij intenties, er werden effectief maatregelen genomen. De uitzonderingen om toch te mogen bouwen in landbouw- of natuurgebied - uitzonderingen die algemene regel waren geworden - werden afgeschaft of strikt beperkt. Bijsturing van de wetgeving en duidelijkere rondzendbrieven maakten een aantal achterpoortjes dicht. De structuurplanning werd eindelijk doorgeduwd en het structuurplan Vlaanderen werd goedgekeurd. Ook het dagelijkse vergunningen- en handhavingsbeleid werd veel rechtlijniger en consequenter. Redenen genoeg dus om te geloven dat het menens was met de beloofde trendbreuk.

Het orgelpunt moest het nieuwe decreet op de ruimtelijke ordening worden. Maar dit decreet bevat enkele wel erg valse noten. De twee bÚlangrijkste knelpunten zijn ongetwijfeld de veel grotere autonomie voor de gemeentebesturen en de mogelijkheid om in landbouw- en parkgebied bouwvallige of verouderde constructies volledig te herbouwen. Wat baten mooie principes en een goede wet, wanneer men die in de concrete toepassing gewoon naast zich neerlegt en nauwelijks een vergunning wil of durft weigeren? Dat is de bittere les die de geschiedenis van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen ons heeft geleerd. Dat Vlaanderen er vandaag zo ongelukkig geordend bij ligt, is niet de schuld van een slecht geconcipieerde wetgeving. De stedenbouwwet van 1962 was een uitstekend instrument, geprezen door professoren. Een raadsheer bij de Raad van State vertelde ons dat de toenmalige kabinetschef van Ruimtelijke Ordening haar met veel vuur kwam verdedigen: met deze wet maken we een einde aan de lintbebouwing in Vlaanderen.

Helaas, driewerf helaas, ondertussen weten we allemaal beter. De wet was goed maar zij werd slecht uitgevoerd - bij het inkleuren van de gewestplannen werden de principes van een goede ruimtelijke ordening vaak aan de kant geschoven - en zij kreeg een uitermate lakse toepassing. Ze werd zo breed ge´nterpreteerd dat vrijwel alles kon en tegen overtredingen werd hoogst zelden opgetreden. Er valt te vrezen dat de geschiedenis zich herhaalt. We hebben nu een goed structuurplan, gestoeld op duidelijke principes. Maar de politiek lijkt te schrikken van de moed die ze heeft gehad om duidelijke keuzen te maken.

Een belangrijke test worden de provinciale en gemeentelijke structuurplannen. Met het nieuwe decreet lijkt men er alvast voor te willen zorgen dat de vooropgestelde principes toch niet al te strikt en consequent moeten worden toegepast. De machtige lobby van lokale politici heeft ervoor gezorgd dat zij zelf kunnen beslissen over de vergunningen, zonder de hinderende tussenkomst van een vittende gemachtigde ambtenaar. De gemeentebesturen kennen de plaatselijke situatie toch het best en bij het toepassen van de wet moet men toch rekening houden met de specifieke omstandigheden. Maar we zien ook de jarenlange praktijk. Vooral in kleinere gemeenten wordt een beleid gevoerd waarbij zeer veel, zo niet alles, kan. Rekening houden met specifieke omstandigheden betekent dan concreet dat men aan elke bouwaanvraag wel een mouw probeert te passen.

Dat blijkt duidelijk uit de bouw- en verkavelingsberoepen die we in de Bestendige Deputatie behandelen. Het advies van het schepencollege was bij aanvang meestal gunstig, ook al gaat het om aanvragen die manifest in strijd zijn met de wet. Dat hoeft niet te verwonderen. Bouwaanvragen zijn voor de mensen enorm belangrijk, financieel en menselijk, en de gemeentebestuurders staan erg dicht bij de mensen. Een strikt vergunningsbeleid vergt voldoende afstand tussen aanvrager en beslisser. Tot nu is er gelukkig de gemachtigde ambtenaar die als corrigerende factor optreedt: zijn advies moet vooraf worden ingewonnen en is bindend. Dat wordt afgeschaft. Wel zouden twee andere waarborgen in de plaats komen.

Garantie nummer 1: elke beslissing van het gemeentebestuur wordt door een gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar voorbereid. Maar deze ambtenaar staat ook dicht bij de bevolking, werkt onder het rechtstreekse gezag van burgemeester en schepenen, en bovenal: zijn advies is niet bindend.

Garantie nummer 2: de stedenbouwkundige inspecteur (opvolger van de huidige gemachtigde ambtenaar) kan achteraf steeds beroep aantekenen. Hij zal echter zelf het initiatief moeten nemen en moeten uitmaken wanneer zijn tussenkomst noodzakelijk is. We durven met haast absolute zekerheid voorspellen: hij zal nooit beschikken over voldoende middelen om adequaat toe te zien op de verleende vergunningen en telkens als het nodig is in beroep te gaan. Verbouwingswerken in landbouw- of parkgebied zijn momenteel onderworpen aan een hele reeks beperkingen. Beperkingen die - met de trendbreuk voor ogen - streng worden ge´nterpreteerd. Een gebouw uitbreiden of anders inrichten, het kan, maar aan de hoofdstructuur van het gebouw mag niet worden geraakt; afbreken en herbouwen is helemaal uit den boze. Deze zones zijn immers niet bestemd voor louter residentieel gebruik en de woonfunctie moet er dan ook stilaan uitdoven. Het nieuwe decreet ziet het ineens helemaal anders. Uitbreiden mag, zolang men binnen de 700 m3-grens blijft. Een woning tweemaal zo groot maken? Geen probleem meer. Een constructie die deel uitmaakt van een huizengroep slopen en volledig herbouwen, zal ook kunnen. Wel moet men de architecturale eigenheid van het oorspronkelijke gebouw respecteren. Dit is typisch een regel die zeer rekbaar is.

De aangekondigde trendbreuk had in verschillende kringen toch wel het enthousiasme opgewekt en de moed gegeven om te ijveren voor een betere ruimtelijke ordening. Dit krijgt nu allemaal een zeer stevige deuk. Opnieuw wordt de deur opengezet om plezier te doen aan velen, ten koste van een rationeel en consequent beleid.

Lodewijk DE WITTE Jan ANTHOONS

(De auteurs zijn respectievelijk gouverneur en gedeputeerde, bevoegd voor ruimtelijke ordening, van de provincie Vlaams-Brabant.)